Skip to Content

Enkele verhalen uit Haïti...

12 mei 2010
20 februari 2010
19 februari 2010
16 februari 2010
14 februari 2010
11 februari 2010
6 februari 2010
5 februari 2010
17 januari 2010
 

Port-au-Prince, 12 mei 2010, door Cifora Monier en Jill Van den Brule

Het verhaal van Judith: onderwijs, een bron van hoop

De dag waarop mijn wereld instortte

De directrice van onze school, Mevr. Lambert, had ons vroeger dan normaal naar huis laten gaan op de dag van de aardbeving. Gewoonlijk bleef ik na school na om het afval op de speelplaats op te ruimen. De directrice had gehoord dat er niet ver van onze school een professor van de universiteit vermoord was en dat er gevreesd werd voor oproer. Ze drong erop aan dat we zo snel mogelijk naar huis moesten keren en niet mochten treuzelen op straat. Ik was op slechts 35 minuten thuis, mijn hemd plakte op mijn rug door de drukkende hitte. En toen, plots, waren we allemaal wit, van onder tot boven bedekt met stof. Ik kon het maar niet geloven. Mijn moeder, die thuis was gebleven om voor het huis te zorgen, zat vastgeklemd onder het puin en de stenen waren te zwaar voor mijn vader om alleen op te heffen. Jeffson, Chrislinde en ik werkten als gekken om papa te helpen met het verwijderen van enkele stenen met onze handen, maar we konden niet sneller gaan. Het been van mama was gebroken. Papa heeft alle moeite van de wereld gedaan om haar te bevrijden tot hij het moest opgeven. Die nacht hebben wij onze moeder begraven. We hebben dan door de straten gedwaald en we zijn uiteindelijk in slaap gevallen op een hoek van een straat, met het gehuil van vrouwen op de achtergrond. Zij hadden ook geliefden verloren. Die nacht hebben we geslapen op straat, dicht tegen elkaar aan.

De dromen van mijn moeder

We hadden geen huis meer en we hadden geen moeder meer. De twee plaatsen waar ik steeds toevlucht kon zoeken, waren verdwenen. Mijn hele leven was voor mijn neus ingestort. Ik heb de volgende dagen en weken veel gehuild. Soms hoorde ik de stem van mijn moeder of kwam ik haar tegen in mijn dromen. Hoewel ze er niet meer is, geeft ze me toch de kracht om voort te zetten. Ik houd haar in leven met mijn herinneringen. Mijn mama en ik hadden de gewoonte om ons voor de televisie te zetten en te kijken naar muziekprogramma’s. Ze zei me dat ik ook op een dag op de televisie zou komen om mijn talenten aan de hele wereld te tonen. Ik wil haar droom verwezenlijken en daarna ook mijn eigen droom. Na de aardbeving zijn we naar Cayes vertrokken en hebben we vijf weken op het platteland verbleven. Ik voelde me die weken heel alleen zonder school. Mijn moeder was alles wat ik had op de wereld. Ik miste haar zo hard. Als ik niet op school was, bleef ik thuis en dacht ik aan mijn moeder. Ik had de indruk dat mijn hoofd zou ontploffen.

De school is mijn reden om te leven

Sinds ik terug ben in Port-au-Prince woon ik met 8 familieleden in een kleine kamer. Mijn vader en broer slapen op de grond en mijn zus, mijn nichten en ik slapen op de twee bedden. Als het regent is onze kamer een echt zwembad want de plastic zakken zijn niet voldoende om te voorkomen dat het binnenregent en dat onze kamer overstroomd wordt. Aangezien ik nu geen huis meer heb, moet ik elke dag twee uur stappen om naar school te gaan, dat is 6 km in totaal. Het is heel vermoeiend, maar ik weet dat ik mijn studies moet voortzetten als ik iets wil bereiken in mijn leven. Soms wil ik het opgeven, maar een stemmetje zegt me om vastberaden te blijven, om voort te zetten, en ik zal het doen voor mijn moeder, voor mijn familie. Het is mijn enige reden om te leven.

Ik hou ervan naar school te gaan. Ik voel me hier goed met mijn vrienden. Als we naar school gaan, moeten we iets doen met ons leven. Ik heb vele dromen, maar ik wil ook aan mijn stem blijven werken. Ik ben lid van een koor en we hebben een liedje gemaakt over de aardbeving. Ik ben hier veel vrienden verloren. In mijn klas in de 7de graad waren we met z’n 74, maar nu zijn er maar 32 leerlingen meer. Velen onder hen zijn naar het platteland gevlucht, of naar de Verenigde Staten en Canada. Mevr. Lambert, mijn directrice, is mijn mentor geworden nu dat mijn moeder en niet meer is. Soms maakt ze zich ook zorgen omdat ik niet gegeten heb voordat ik naar school kom. Ze is zoals mijn moeder, maar ze geeft me iets dat mijn moeder me niet kon geven. Ik kan niet echt uitleggen wat het is, maar ik weet het in mijn hart. Mevr. Lambert organiseert elke vrijdag een bijeenkomst waar we onze verhalen en onze gevoelens kunnen delen over de aardbeving. Daar spreek ik over mijn moeder en mijn vrienden delen hun verhalen. Een van mijn klasgenoten, die nu op krukken loopt, heeft verteld hoe haar grootmoeder naast haar is gestorven, terwijl ze haar hand vasthield. Het is moeilijk, maar we moeten elkaar helpen om hier samen door te komen. Er is geen andere oplossing. We moeten ook vechten om te hebben wat we willen in het leven.

Het verhaal van de directrice

Mevr. Lambert, directrice en mentor van Judith: “Wat zal er van Judith zonder onderwijs worden? Ze is uitzonderlijk; ze lacht altijd, ook na alles wat ze heeft beleefd. Soms weet ik niet hoe ze het doet. Ze heeft als eerste haar moeder gevonden,” legt Mevr. Lambert uit, terwijl ze haar tranen tegenhoudt. “Vóór ze naar huis gaat, roept ze elke dag een groep leerlingen bij elkaar om de speelplaats op te ruimen en soms doet ze dit al zingend. Ze is een sterretje dat helder licht geeft ondanks het donker.” De École Nationale République du Brésil, waar Mevr. Lambert directrice is, is één van de 120 scholen die op 5 april 2010 weer zijn opengegaan. De aardbeving heeft meer dan 4000 scholen vernietigd, samen met het gebouw van het Ministerie voor Onderwijs, en is de oorzaak van de dood van meer dan 38 000 studenten en 1300 leraars. “We hebben veel dierbare leraars verloren, en sommige briljante intellectuelen,” zegt de directrice. “Vele anderen zijn naar het platteland gevlucht en sommigen zijn het land uit gevlucht om in het buitenland verder te studeren.” De school van Mevr. Lambert is een van de weinige publieke scholen van het land. Meer dan 90% van de scholen zijn in Haïti privé, wat het zeer moeilijk maakt om de kwaliteit van het onderwijs op te volgen. “Het grootste probleem waar we mee zitten is dat de scholen niet toegankelijk zijn voor alle kinderen.” Ouders geven soms tot een kwart van hun inkomsten uit om hun kinderen naar school te sturen en vele belemmeringen blijven, waaronder schoolgeld. Na de aardbeving heeft deze school het schoolgeld laten vallen, om families ertoe aan te moedingen hun kinderen naar school te sturen.

“Zonder UNICEF zouden we niets hebben, geen school, geen benodigdheden, niets, en we hadden ook nooit zo snel de school kunnen heropenen. Maar er moet nog zo veel gedaan worden. We moeten ouders verzekeren dat de school een veilige plaats is en we moeten nieuwe en duurzame gebouwen beginnen bouwen, die overeenkomen met de veiligheidsstandaarden.Ik wil Judith redden. Onderwijs is haar enige hoop. Onderwijs is de enige hoop van Haïti.”
 

Port-au-Prince, 20 februari 2010, door Yolanda Romero, woordvoerster van UNICEF op het terrein

Het water dat leven brengt

In het arrondissement Léogâne, ten zuidwesten van Haïti, heeft de Maumance rivier voor zichzelf een weg gebaand door een vallei. Rond deze rivier speelt zich het dagelijkse leven af. Honderden gevluchte Haïtianen hebben beschutting gevonden aan haar oevers en hebben zich daar gevestigd in geïmproviseerde tenten.

Een vrouw wast kleren aan de oever. Een idyllisch beeld dat meteen aan diggelen wordt geslagen wanneer men zich herinnert dat hier een paar weken geleden lijken stroomafwaarts dreven. Dit zegt ze lachend, op die manier vluchtend voor de verschrikkelijke realiteit die enkel overleefd kan worden met een gevoel voor humor.

Het water van de Maumance, bron van leven, kan ook de dood met zich meebrengen wanneer het wordt gedronken. UNICEF sensibiliseert de gemeenschappen en geeft hen middelen opdat zij toegang hebben tot drinkbaar water. Een van de projecten die UNICEF samen met haar partners tot stand heeft gebracht is de distributie van emmers met waterzuiveringstabletten (zie foto hierboven).

Op de rug van muilezels

Om het “water des levens” naar de rurale gemeenschappen in de verre heuvels te brengen, gebruikt UNICEF de beste, meest aangepaste en minst dure transportmethode voor dit gebied: de muilezel. Een karavaan van muilezels doorkruist de landelijke wegen van Léogâne’s rurale gemeenschappen. Het doel is het leveren van 820 emmers die later verdeeld kunnen worden in de gemeenschappen van Petit en Grand-Goâve.

Uitleg is van groot belang

Het doel is dus om in het landelijke gebied van de provincie van het Zuid-Westen een bereik te halen van 90 % in de bergen en 85 % op de vlaktes. Maar volgens Daniel Lantagne gaat het verder dan enkel het uitdelen van emmer: “Het is noodzakelijk om de mensen te leren hoe zij deze moeten gebruiken. Eerst moet de emmer gereinigd worden en daarna gevuld worden met water. Later wordt het tablet toegevoegd. Vervolgens moet het rusten en het is absoluut noodzakelijk om de emmer af te dekken.”

De ervaring in vorige noodsituaties toont aan dat de formule enkel werkt wanneer de  gezondheidsvertegenwoordigers getraind worden en er later huis tot huis controles worden uitgevoerd. Het is noodzakelijk om na te kijken of men handelt volgens de indicaties. Deze worden geschreven in het Creools, de lokale taal van de Haïtianen.

In  het stadium van Léogâne, waar meer dan 10.000 personen bij elkaar zitten, krijgt de 30 jaar oude Paul Magdaline de eerste training voor het gebruik van de waterzuiveringstabletten: “Ik ben blij, zegt ze, dit zal ons helpen om ons te beschermen. Niemand zal nog ziek of koortsig worden.”

 

Port-au-Prince, 19 februari 2010, door Diana Valcarcel, UNICEF-woordvoerster op het terrein

“Tout timoun gen dwa”…

…betekent “alle kinderen hebben rechten” in het Creools. Samen met Nadege, een Haïtiaanse sociologe van de afdeling Bescherming van UNICEF, wou ik vandaag verschillende weeshuizen van de gemeente Carrefour bezoeken om de toestand na de aardbeving te evalueren. UNICEF en het Haïtiaans instituut voor maatschappelijk welzijn waren belast met deze missie. In Haïti worden de weeshuizen vaak gerund door religieuze congregaties of particulieren.

De regering heeft een lijst opgesteld van 500 weeshuizen. Dagelijks worden 4 ervan geëvalueerd door 5 teams van de afdeling Bescherming, in samenwerking met iemand van het Haïtiaans instituut voor maatschappelijk welzijn. Zij hebben tot nu toe 300 weeshuizen bezocht en geëvalueerd.

Frandy, 8 jaar

Het eerste weeshuis dat we bezoeken heet Odascat. De kinderen moesten jammer genoeg overgebracht worden naar de wijkschool want het gebouw werd verwoest door de schokken van de aardbeving. Zoals de meeste Haïtianen slapen de kinderen in tenten, op straat, en niet in een gebouw.

Plots wordt mijn aandacht getrokken door Frandy, een kleine jongen. Hij is 8 en zijn arm werd geamputeerd. Het ongeval gebeurde tijdens de aardbeving terwijl hij in het weeshuis was. Hij is erg geconcentreerd op de lolly in zijn mond.

Niet vergezelde kinderen

Het team kijkt na of er bepaalde kinderen zonder begeleiding zijn. Dat is het geval van Frandy en zijn zusje Ketlyn, die pas 6 is. Ze lijken allebei in schoktoestand en bang voor alles. Nadege ondervraagt eerst de directeurs van het centrum en daarna de twee kinderen. Deze bevragingen beogen het verzamelen van een maximum aan inlichtingen over deze kinderen, zodat ze misschien naar hun familie kunnen teruggebracht worden.

Dit zijn enkele vragen waarop Nadege een antwoord zoekt:
-    de naam van de moeder
-    de naam van de vader
-    werd het kind gescheiden van zijn ouders omwille van de aardbeving?
-    Wat was zijn adres voor die scheiding?
-    Wat is de naam van de persoon die verantwoordelijk is voor het kind?

Het verheugt me dat UNICEF dit onderzoekt. Ik hoop dat Frandy, Ketlyn en hun ouders ooit herenigd zullen worden.

Materiële behoeften

Het team vroeg ook aan het centrum wat de noden zijn inzake water, voeding, tenten, enz. Het logistisch team zal het materiaal aanleveren. Indien een kind ziek wordt, zal de afdeling Gezondheid van UNICEF op de hoogte gebracht worden en  ingrijpen indien nodig.

Op de weg van het ene weeshuis naar het andere hebben we enkele gebieden opgemerkt die minder beschadigd waren door de schokken van de aardbeving. Maar daar zie ik hoe erg de situatie van de Republiek Haïti reeds was voor de aardbeving. Wij rijden een rivier voorbij. Afval drijft over het water. En verder zien we de zwijnen zomaar op straat eten.

Op de terugweg ben ik voor een bougainvillea gestopt en heb ik enkele bloemen geplukt. Ik had nood aan iets moois na al die droevige beelden. Toen ik het stof afveegde van de bloemen zag ik een UNICEF-wagen voorbijrijden, met het opschrift: “Tout timoun gen dwa”. Ja, alle Haïtiaanse kinderen hebben rechten. Zij zijn de toekomst van het land.

Legende

Foto 1: Nadege, een Haïtiaanse sociologe van de afdeling Bescherming van UNICEF, evalueert de toestand van de alleenstaande kinderen in een weeshuis en onderzoekt de nood aan voorzieningen.
Foto 2: Frandy, 8 jaar, is een arm kwijt tijdens de aardbeving. Hij wil later dokter worden. Hij was bijzonder geconcentreerd pp de lolly in zijn mond.
Foto 3: de kracht van de verbeelding. Indien de Haïtiaanse kinderen speelgoed kunnen maken uit een fles, 5 kurken en enkele stenen, dan kunnen ze zeker veel dingen doen voor hun land.

 

Port-au-Prince, 16 februari 2010, door Diana Valcarcel, woordvoerster van UNICEF op het terrein

Een roos kleedje voor Constance

Tijdens ons eerste verblijf in Port-au-Prince hebben we met het voedingsteam van UNICEF verschillende “babyvriendelijke tenten” bezocht. Deze tenten worden beheerd door het ACF (Action Contre la Faim), met de steun van UNICEF. De vrouwen kunnen er in alle rust borstvoeding geven aan hun baby. Zij krijgen ook psychologische steun en voedingstips terwijl hun kinderen spelen.

“Ik was ongerust omdat mijn dochtertje niets at, daarom ben ik naar hier gekomen”, zegt Anite, een mama van 32. Haar kleine meisje van 11 maanden, Constance, kijkt me aan met haar grote bruine ogen. “Ik ben mijn man, mijn moeder en mijn nichtje verloren tijdens  de aardbeving. Ik heb ook geen huis meer. Nu leef ik in een tent.”

Het is de eerste keer dat Anite naar de “babyvriendelijke tent” op het Champ-de-Mars gaat. Ongerust, maar ook nieuwsgierig,  kijkt ze toe hoe het personeel Constance op de weegschaal legt. “6 kg 600 g”, klinkt het, dat is 3 kg minder dan het ideale gewicht.

Anite zegt dat ze alle dagen zal terugkomen, tot het beter gaat met Constance. Na de consultatie kleedt Anite haar dochtertje terug aan. Met een prachtige roze jurk. Het meisje is nog mooier.

Borstvoeding is van levensbelang

Ik spreek even met één van de  voedingsdeskundigen van UNICEF. Zij legt me uit dat een baby 10 tot 15 keer meer risico loopt om te sterven wanneer hij geen borstvoeding krijgt. In noodsituaties is borstvoeding van levensbelang. Tijdens de eerste dagen na de aardbeving zijn de vrouwen gestopt met borstvoeding, omdat ze op zoek moesten gaan naar een schuilplaats en eten. Met het initiatief van de “babyvriendelijke tenten” hopen UNICEF en zijn partners dat de moeders opnieuw zullen kiezen voor borstvoeding.

Een nieuwe Haïti

“Ik denk dat we zullen bouwen aan nieuwe Haïti. Dat is mijn droom. Maar het mag niet te lang duren. Wij hebben dat nodig. En snel.” Jean Thomas, een papa van 26, is met zijn dochter Dania gekomen. Zij heeft diarrhee. Hij studeert economie aan de "Faculté des Hautes Études" in Port-au-Prince et zou moeten afstuderen over 2 jaar. “Ik ben op zoek naar een job; ik heb mijn CV naar verschillende bedrijven opgestuurd”.

Alleen

Na dit eerste bezoek trekken we naar het nationaal stadium van Port-au-Prince, het stadium Sylvio Cator. Het is omgebouwd tot een groot kamp waar duizenden mensen een nieuw “huis” gevonden hebben. Vlakbij de “babyvriendelijke tenten” ontmoet ik Sharleen, een jong meisje van 17 dat me vraagt waar ze haar baby kan achterlaten. Zij zegt dat ze voor hem niet kan zorgen. Sinds de aardbeving slaapt ze op een bank, op het Champ-de-Mars et brengt ze de dag door in het stadium. “Niemand wil zijn spullen delen met mij”, zegt ze.

De harde realiteit

Tijdens de terugreis naar het basiskamp, stellen we met verschrikking vast hoe de aardbeving de stad verwoest heeft. En ondanks dit alles, ben ik onder de indruk van de activiteit in de straten. Vele gebouwen zijn volledig vernield. Soms gaan de mensen op zoek naar hun spullen in de verwoeste huizen. Ik zie een koppel zakken met puin wegslepen. Het enige wat ze nog hebben. Wij gaan verder, maar de chauffeur van UNICEF wil ons tonen hoe zijn huis vernietigd werd. “Ik ben 3 kinderen verloren. Eén ervan was mijn enige dochter. Zij was 22.” Ik herinnerde me dat men mij in Madrid iets had verteld over die man, maar nu stonden we vlak voor zijn huis,... niet meer dan een hoop puin.

In de auto heerste er toen een grote stilte. Wij zijn teruggekeerd naar de basis van Minustah. Ik dacht bij mezelf “Mesi anpil”. Dat betekent “heel erg bedankt” in het Creools. Ja, mesi anpil, het was een leerzame dag.

 

Port-au-Prince, 14 februari 2010, door Christopher Tidey (UNICEF Canada), woordvoerder van UNICEF

Na een reis van twee dagen, waarvan één nacht in de Dominikaanse Republiek, was ik eindelijk terug in Canada.

Maar toen het vliegtuig vorige nacht op in Toronto landde, heb ik even gewenst dat ik Port-au-Prince nooit zou verlaten hebben. Ik was er graag gebleven om het land te zien veranderen, te zien hoe het opnieuw gebouwd werd en hoe het dag na dag evolueerde.

Gedurende de laatste drie weken ben ik de getuige geweest van de pijn van Haïti, dat te verklaren is door de aardbeving, maar ook door tientallen jaren economische moeilijkheden.

Maar ik heb ook een glimp gehad van wat Haïti kan worden. Ik heb de weg gezien naar een wederopbouw van het land, via de kracht en het karakter van de Haïtianen, de moed van die families en de vreugde van de kinderen.

Ik hoop dat mensen van de hele wereld de inspanningen voor een hulpbetoon in Haïti verderzetten en dat ze de wederopbouw  van het land zullen blijven volgen. Binnenkort zal Haïti de krantenkoppen niet meer halen, maar de noden van de kinderen en van de families van dit broze land zullen dagen, maanden en zelfs jaren blijven bestaan.

 

Port-au-Prince, 11 februari 2010, door Christopher Tidey (UNICEF Canada), woordvoerder UNICEF

Vanmorgen - mijn laatste dag in Haïti – werd ik wakker om 4 uur. De regen kletste op het dak van mijn tent en het water vormde al een plas rondom mijn slaapzak. Moet ik er nog bijzeggen dat ik heel ontevreden was?

Gedurende de 10 daarop volgende minuten kroop ik in de tent, op zoek naar mijn camera en mijn materiaal, al vloekend over het weer en mijn ongeluk.

Mijn donkere gedachten verdwenen langzamerhand en ik dacht toen aan iets minder futiels dan mijn doorweekt fotomateriaal of mijn kletsnatte kleren. Honderdduizenden Haïtianen, die geen woonplaats meer hebben sinds de aardbeving, moeten dezelfde zondvloed doorstaan zonder zelfs te beschikken over de luxe van een degelijke tent. En nu het regenseizoen dichterbij komt, was dit onweer slechts het eerste van een hele reeks.

Elke dag in Haïti brengt een reeks uitdagingen voor de hulpverleners en voor de wederopbouw van het land. Ik hoop dat deze voortdurende uitdagingen de wilskracht van de internationale gemeenschap niet zullen verzwakken en dat men de Haïtianen zal blijven helpen in de wederopbouw van hun land.

 

Port-au-Prince, 6 februari 2010, door Christopher Tidey (UNICEF Canada), woordvoerder van UNICEF op het terrein

Vandaag heb ik het grote kamp op de Champ-de-Mars bezocht, waar nu een 15.000–tal mensen wonen in voorlopige schuilplaatsen van multiplexplaten, metaalafval en lakens. Ik wou daar naartoe om me een beeld te vormen van de noodingrepen van UNICEF, zoals de verdeling van watertanken of de installatie van kranen die ervoor zorgen dat moeders en kinderen kunnen beschikken over drinkbaar water en gezonde voeding.

Terwijl ik op zoek was naar een geschikte invalshoek voor de camera, werd ik afgeleid door wat ik wat verder zag. Enkele meters boven de daken van het kamp, wapperde iets... alsof een stuk afval in de lucht bleef hangen. Geprikkeld door mijn nieuwsgierigheid ging ik dichterbij om het ding beter te zien. Een heel dun touwtje hing vast aan een mysterieus voorwerp. Een jongen hield het touw en het ding vast. Het ding was een vlieger.

Ik ben toen nog wat dichterbij gaan staan en ik zag dat de vlieger gemaakt was uit enkele houten takjes en een stuk plastiek die de jongen uitgeknipt had uit een vuilniszak. Het was prachtig!

Deze jongen, hoewel hij omringd was door dood en wanhoop, had tussen de vuilnis en het puin het nodige materiaal gevonden om iets helemaal nieuws te maken, iets vrolijks en euforisch.

Het was een wonderlijke ervaring en, ik hoop het, een voorteken van een betere toekomst voor Haïti.

 

Port-au-Prince, 5 februari 2010, door Christopher Tidey (UNICEF Canada), woordvoerder van UNICEF op het terrein

Vandaag heeft ons team gesproken met een groep plaatselijke dirigenten die door UNICEF en zijn partners opgeleid worden om niet begeleide kinderen te kunnen  identificeren en registreren.

Op weg naar de basis van MINUSTAH hebben we de stad doorkruist en zijn we gestopt bij een basisschool die in puin lag. Onze nieuwsgierigheid bracht er ons toe de puinhoop te beklimmen om enkele foto’s te trekken. Wat ik toen zag, vergeet ik nooit.

Tussen het puin lagen een heleboel schriftjes. Elk ingevuld met het geschrift van één kind.

Wij hebben een schriftje opengelegd. De voornaam van een meisje, “Frandia”, was er netjes in geschreven. Ik heb me toen afgevraagd wie ze was, hoe oud ze was en of ze nog leefde.

Ik hoop dat Frandia de aardbeving overleefd heeft, maar ik zal het waarschijnlijk nooit weten.

Wat haar lot ook moge zijn, het feit dat ik haar naam zag, in haar eigen handschrift geschreven, is een treffend symbool van de kwetsbaarheid van de kinderen in rampsituaties. Het herinnert er ons ook aan dat vele kinderen hier, één maand na de aardbeving, nog altijd in gevaar zijn.

 

Port-au-Prince, 17 januari 2010, door Tamar Hahn (foto), woordvoerster van UNICEF op het terrein

Vanmorgen bezocht ik een veldhospitaal in de Logistieke Basis van MINUSTAH. Het hospitaal bestaat uit twee enorme tenten die volgepropt zijn met Haïtianen die verwond werden tijdens de aardbeving. De omstandigheden zijn verschrikkelijk: er is weinig water aanwezig voor de dokters en de patiënten, er zijn geen sanitaire voorzieningen, wat betekent dat urine en uitwerpselen zich opstapelen achter de tenten van het hospitaal en geamputeerde lichaamsdelen eindigen tussen de vuiligheid.

Er is geen mortuarium, waardoor lichamen zich opstapelen naast de tent. Een operatiekamer werd vandaag opgezet. Er worden vooral amputaties uitgevoerd aangezien de wonden van vele slachtoffers ontstoken en dus levensbedreigend zijn. Andere operaties zijn niet mogelijk en alle middelen zijn beperkt.

Tussen al het gekerm en gekreun liggen vijf kinderen alleen op hun veldbedden. Er is geen familielid bij hen om hen te voeden, te wassen of hun hand vast te houden. Een tweejarig meisje met een hersenverlamming kwam hier na de aardbeving gedehydrateerd en in shock aan. Ze ligt helemaal alleen en wenend op een veldbed. Ze heeft geen ernstige wonden en ze is eigenlijk klaar om naar huis te gaan, maar niemand kent haar naam of weet waar haar familie zou kunnen zijn. Op een papiertje aan haar voet staat ‘baby Girl’.

Hetzelfde verhaal voor Sean, een zevenjarige jongen die schreeuwend naar zijn ouders binnenkwam en daarna 12 uur lang in een foetuspositie heeft gelegen. Uit het weinige dat hij al heeft gezegd, kunnen de verpleegsters afleiden dat hij zijn ouders allebei dood heeft gezien. Sean heeft kleine schaafwonden en hij loopt nu rond en praat met andere patiënten, maar de dokters willen hem niet uit het hospitaal ontslaan zonder te weten waar hij heen kan gaan en wie voor hem zal zorgen.

Er zijn waarschijnlijk honderden of duizenden andere kinderen in dezelfde situatie in Port-au-Prince, ofwel in hospitalen ofwel zwervend op straat zonder toegang tot water, voedsel of bescherming tegen geweld en misbruiken. Zelfs al zijn deze kinderen niet fysiek gewond, ze hebben wel een enorm psychologisch trauma geleden wat hen zal tekenen voor het leven. Ze riskeren om ondervoed en ziek te worden en zijn kwetsbaar voor seksuele uitbuiting en handel.

UNICEF zoekt op dit moment twee toevluchtsoorden om uit te rusten voor 200 kinderen zoals Sean en Baby Girl. De toevluchtsoorden zullen een veilige plaats zijn voor de kinderen en UNICEF zal in hun grootste behoeften proberen te voorzien terwijl hun familie wordt opgespoord. Voor degenen die niet met hun familie herenigd kunnen worden, zullen andere oplossingen gevonden moeten worden.

Water wordt verdeeld

In de namiddag ging ik op pad met onze Water and Sanitation Officer om de waterdistributie te evalueren die gisteren werd opgestart. De Haïtianen slapen niet langer in hun huizen. Zelf zij die werden gespaard door de aardbeving zijn de straat opgegaan en hebben tenten opgezet met de stoffen en doeken die ze konden vinden. Ze overbevolken de weinige pleinen in de stad en zelfs het huis van de eerste minister, een huis met een grote voortuin en een hek errond, is nu een geïmproviseerd kamp geworden.

Degenen die zich niet op de pleinen en in de parken bevinden, blokkeren de straten met betonnen blokken en slapen op het wegdek.

Er zijn geen latrines en ik zag vrouwen die naakt op straat knielden voor waterplassen om zich te wassen. Doordat er geen latrines beschikbaar zijn, wassen de mensen zich langs de straat. Enorme afvalhopen stapelen zich overal op en wanneer de nacht valt over Port-au-Prince, bevinden duizenden mensen zich op elkaar gepropt en volledig in het donker.

Toen we aan het huis van de eerste minister aankwamen, zagen we een opvouwbare watertank met 5000 liter water, die 1000 mensen in hun dagelijkse behoeften kan voorzien. De wachtrij was ordelijk en de mensen wachtten geduldig met hun jerrycans in de hand op hun beurt. Vlak achter hen had zich een lange rij mensen gevormd om de hygiënekits in ontvangst te nemen die USAID aan het uitdelen was.

Vier kleine meisjes kwamen ons begroeten. Wanneer ik hen vroeg hoe ze zich voelden, lachtten ze en zeiden ze dat alles in orde was. Stania, een 17-jarig meisje hoorde hen en zei: “In orde? Wat bedoel je met ‘in orde’? Dit is niet in orde, dit is verschrikkelijk en wij kunnen zo niet langer verder.”

Het was goed om te zien dat de hulp de mensen begon te bereiken, ondanks de rampzalige omstandigheden waarin ze leefden. Ik keerde terug naar de basis waar UNICEF zijn operaties opgezet heeft na de vernieling van zijn bureau in Haïti en ontdekte dat de zoon van een van de chauffeurs gestorven was aan de wonden die hij opgelopen had tijdens de aardbeving. Het was het derde kind dat de Haïtiaanse man verloren had. Zijn dochter en zijn andere zoon waren onmiddelijk gestorven toen hun huis instortte.

De tragedie van de aardbeving treft niet alleen zij die zich buiten deze basis bevinden; het treft elke medewerker van UNICEF op het terrein. Verschillende medewerkers hebben al hun bezittingen verloren en hebben niets anders meer dan de kleren die ze dragen. Iedereen is moe en getraumatiseerd, bang om alleen thuis te zijn en door de naschokken die nog elke dag gevoeld worden. De Education Officer kampeert al vijf dagen lang bij de ruïnes van de bureaus van de MINUSTAH, wachtend tot haar man uit het puin wordt gehaald. Hij leeft nog en heeft haar berichtjes gestuurd, maar hij werd nog steeds niet gered.


-> Terug naar de algemene pagina "Noodtoestand Haïti"