Het Kinderrrechtenverdrag
Sinds zijn oprichting heeft UNICEF zich tot taak gesteld om de rechten van kinderen wereldwijd te doen respecteren, dit zowel in vredes- als in oorlogstijd. Dankzij het Kinderrechtenverdrag beschikt de organisatie over een juridisch instrument om druk uit te oefenen op de lidstaten en veranderingen af te dwingen in hun beleid.
In 1989 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het Verdrag inzake de Rechten van het Kind aan. Dit Verdrag bundelt de rechten van alle kinderen over de hele wereld, zonder onderscheid op basis van gelaatskleur, religie of geslacht. In het Kinderrechtenverdrag staan afspraken over minimumnormen die de wereld wil hanteren voor kinderen. Het Verdrag heeft bepalingen op zeer verscheiden juridische domeinen. Het erkent de burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele rechten van kinderen.
Het Kinderrechtenverdrag stoelt op vier leidende beginsels: niet-discriminatie, het hoger belang van het kind, het recht op overleving en bescherming en het recht op participatie.
De rechten die in het Verdrag worden vermeld kunnen in drie grote goepen opgedeeld worden, de zogenaamde 3 P’s. Ten eerste de provisierechten, die verwijzen naar zaken en voorzieningen die kinderen nodig hebben om in de best mogelijke omstandigheden op te groeien, zoals scholen, jeugdwerk, media, hulpverlening… Hieronder vallen ook basisbehoeften zoals voldoende eten en drinken, degelijke huisvesting, toegang tot gezondheidszorg, kindergeld en sociale zekerheid. Ten tweede zijn er de protectierechten, waaronder het recht om beschermd te worden tegen uitbuiting of geweld en ten derde zijn er de rechten tot participatie, die kinderen het recht geven om onder andere hun mening te kennen te geven, recht op inspraak bij dingen die hen aanbelangen enz.
Al deze rechten en artikelen hangen met elkaar samen. Je kunt dus niet zomaar de ene P loskoppelen van een andere: zo heeft een kind niets aan het recht op inspraak (participatie) als het niet beschermd wordt wanneer het zijn mening zegt (protectie).
Deze tekst heeft een paar wereldrecords verbroken:
- Zo goed als alle landen ter wereld hebben het Verdrag geratificeerd (in hun wetten opgenomen). Enkel de Verenigde Staten en Somalië deden dat niet.
- Het Verdrag zegt uitdrukkelijk dat niet alleen de regeringen een rol te spelen hebben in het waarmaken van kinderrechten: iedereen moet altijd en overal die kinderrechten respecteren.
- Het is het eerste mensenrechtenverdrag dat zowel politieke en burgerlijke rechten als sociale en economische rechten bundelt. Er staat ook een expliciete oproep om landen die niet genoeg middelen hebben om alle rechten waar te maken, te helpen.
Een ander aspect dat aandacht verdient: het Verdrag inzake de Rechten van het Kind is een juridisch bindende tekst. Dit wil zeggen dat de staten het niet zomaar naast zich neer kunnen leggen. En om het niet enkel bij mooie woorden te houden, moeten de regeringen die het Verdrag geratificeerd hebben, regelmatig rapporteren over hun inspanningen: hebben ze écht werk gemaakt van kinderrechten in hun land en hoe? Dat doen ze bij het Comité voor de Rechten van het Kind. De experten van het Comité doen aanbevelingen over wat dat land kan doen om het Kinderrechtenverdrag nog beter uit te voeren. Ze doen dit op basis van informatie die ze terugvinden in een vijfjaarlijks rapport van de overheid en een alternatief rapport van de ngo’s. UNICEF coördineert het "What Do You Think?-project" dat instaat voor de opmaak van een alternatief rapport van kinderen en jongeren.





