Trefwoorden

In Syrië herenigt UNICEF kinderen met hun familie.

“Haar kinderen dachten dat ze dood was, maar daar stond ze, levend en wel.”

Harbiya, een moeder van zes kinderen, was thuis in Hajin, een stad in het oosten van Syrië, toen een bom insloeg. “Ik kreeg een granaatscherf in mijn hoofd, en raakte bewusteloos” vertelt ze. “Ik lag twee weken in coma.”

Het was niet de eerste tragedie voor Harbiya. Al meer dan zes jaar lang is haar leven een aaneenschakeling van ellende. Alles begon toen zij en haar familie hun huis moesten ontvluchtten in Raqqa. Sindsien is Harbiya op de vlucht voor het geweld en het conflict. Uiteindelijk vestigde ze zich vorig jaar in Hajin, in het district Deir-ez-Zor.

“Het eerste wat ik wou toen ik weer bijkwam, was mijn kinderen zien. Maar alleen mijn oudste zoon, Abdelkader, was bij me.”

Zij en Abdelkader, die 18 jaar is, waren samen naar het ziekenhuis gebracht. Harbiya had geen idee waar haar andere kinderen waren.

Harbiya wou zo snel mogelijk het ziekenhuis verlaten om naar haar kinderen op zoek te gaan. Eens terug thuis, trof ze er haar jongste dochter, Aisha aan. Het waren de buren die zich over haar hadden ontfermd. Van de andere vier kinderen ontbrak elk spoor.

Samen met Abdelkader zocht ze dagelijks door het puin van hun huis om er zich van te vergewissen dat de kinderen niet dood waren. Ook gingen ze een maand lang van deur tot deur in de hoop meer te weten te komen, maar zonder resultaat.

Ondertussen gingen ook de vier andere kinderen door een hel.

Op de dag van de aanslag werden de vier kinderen, Abdulrahim, 10, Abdulrahman, 9, Duaa, 8, en Nawara, 7, naar een ander ziekenhuis gebracht, een paar kilometer verderop in de stad. Nadat ze verzorgd waren voor hun verwondingen, die minder ernstig waren dan die van hun moeder en broer, werden ze onder de vleugels genomen door een familie tot hun ouders of verzorgers zouden kunnen worden opgespoord.

Maar de eerste nacht dat de kinderen bij het gezin waren, escaleerde het geweld al opnieuw. Ze werden opnieuw gedwongen te vluchten. Daardoor werd het nog moeilijker om ze met hun moeder te herenigen. Samen met honderden andere families begonnen ze aan een lange en vermoeiende tocht naar het Al-Hol-kamp, bijna 300 kilometer ver.

 “We dachten dat onze moeder was omgekomen tijdens de aanval. Ik was nu degene die verantwoordelijk was voor mijn broers en zussen en ik vond het veiliger om met de familie mee te gaan naat het kamp, ” vertelt Abdulrahim, 10 jaar.

Hij was van plan om contact op te nemen met zijn ooms in Raqqa van zodra ze aankwamen.

Eenmaal de kinderen in het kamp waren aangekomen, gingen UNICEF-medewerkers meteen aan de slag om de ooms van de kinderen op te sporen. Zij waren immers de enige familieleden waarvan werd aangenomen dat ze nog leefden.

De vier kinderen werden ondergebracht bij een ander gezin in het kamp en kregen winterkleren en -dekens. De UNICEF-teams zorgden er ook voor dat ze de nodige gezondheidszorg kregen en werden inschreven in een leerprogramma. Zo zaten ze weer in een dagelijkse routine en kregen ze enigszins het gevoel terug te keren naar het normale leven.

“Ik had het gevoel dat ik plotseling volwassen werd”, herinnert Abdulrahim zich. “Ik was plotseling verantwoordelijk voor drie kinderen, al zijn mijn broer en zussen niet veel jonger dan ik.”

Een maand later arriveerde ook Harbiya in het Al-Hol kamp in Hassakeh, samen met duizenden andere mensen die vluchtten voor het aanhoudende geweld in en rond Hajin. Met de moed der wanhoop bleef ze overal vragen naar haar vier kinderen. Ze klampte zich vast aan de laatste strohalm in de hoop ze in het Al-Holkamp te vinden.

Toen Yousef, een UNICEF-medewerker, hoorde dat er een moeder was aangekomen die op zoek was naar vier kinderen, haastte hij zich naar het onthaal om haar tegemoet te komen en haar te helpen haar kinderen op te sporen.

“Ik schrok toen ze de namen van haar kinderen noemde”, herinnert Yousef zich. “Haar kinderen dachten dat ze dood was, maar daar stond ze, levend en wel.”

Luttele minuten later vlogen de vier kinderen in haar armen, nadat ze een maand lang hadden gedacht dat ze was omgekomen.

“Ik was bijna alle hoop verloren. Ik stond op het punt gek te worden”, zegt Harbiya. “Ik had nachtmerries dat ze bij de aanval gedood waren. Maar als ik ‘s ochtends wakker werd, was ik meer dan ooit vastberaden dat ik ze zou terugvinden. Nu kan ik ze weer in mijn armen sluiten”.

UNICEF in het Al-Holkamp

Sinds december vorig jaar zijn al meer dan 63.000 mensen in het Al-Holkamp aangekomen. Deze komen bovenop de 10.000 mensen die al aanwezig waren in het kamp, terwijl er oorspronkelijk opvang voorzien was voor niet meer dan 41.000 mensen. 9 op de 10 mensen in het kamp zijn vrouwen en kinderen.

De toestand van de kinderen in het Al-Holkamp blijft een belangrijke zorg. De meeste kinderen die aankomen in het kamp vertonen tekenen van trauma en lijden aan ondervoeding. Door maanden van vijandelijkheden, gebrek aan voedsel, medische zorg of basisdiensten, en de zware weg naar het Al-Holkamp, zijn ze oververmoeid, hebben gezondheidsproblemen en hebben ze vaak oorlogswonden. UNICEF-teams zijn 24 uur op 24 aanwezig om de kinderen op te vangen.

Bij aankomst krijgen gezinnen een gezondheidsscreening en worden ze gecontroleerd op tekenen van ondervoeding. Indien nodig worden ze doorverwezen naar het ziekenhuis. Vervolgens krijgen ze een noodpakket om in hun onmiddellijke behoeften te voorzien, inclusief dekens, voedsel en water.

UNICEF ondersteunt kinderen die alleen zijn in het kamp, zonder familie of andere begeleiding en spoort hun families op. Zo werden minstens 470 kinderen geïdentificeerd en konden we tot nu toe minstens 140 kinderen herenigen met hun familie. We zorgen ervoor dat alleenstaande kinderen die voor een behandeling naar het ziekenhuis moeten, worden begeleid. Ook zetten we in op onderwijs en kinderbescherming.

Steun UNICEF’s werk voor kinderen getroffen door het conflict in Syrië. Doe een gift.